• Joost Elli

Nonkel Karel (80)

Speciaal voor nonkel Karel is deze blog hier ook als luisterspel beschikbaar. Zin in nog meer blog-audio? Je vindt ze als de Just keep going-podcasts op alle grote muziekplatformen, onder meer hier op Spotify.



"Lang, heel lang geleden, was er eens een opa. En die werd tachtig jaar! Heel de familie kwam bij elkaar en vierde feest. En een van de kleinzonen, Joost, las toen een brief. Een heel mooie brief en … ooooh … de hele familie moest ervan huilen. Zo’n mooie brief."


Drie grote gebeurtenissen maar, vierde mijn familie in mijn jonge jaren: een zilveren en een gouden jubilee en een tachtigste verjaardag. That’s it.

Trouwerijen waren er nauwelijks. En als dat al het geval was liep het snel daarna weer mis. De sfeer op die partijtjes was eerder ingetogen omdat iedereen statistisch gezien de afloop bij voorbaat kende: om de een of andere reden tel je het aantal geslaagde huwelijken in het geslacht Elli op één hand. Het moet iets genetisch zijn. Nee, echte party animals zijn we dus niet. Er viel gewoon weinig te vieren. Met drie grote feesten over ruim evenveel decennia waren we klaar.


Dat begon in 1982, met het gouden jubileum van mijn grootouders. Alle registers gingen open: een eucharistieviering en een feest in zaal De Kring, met dj Patrick, en kreeft op het menu. Zelfs de persfotograaf kwam langs. Een paar dat vijftig jaar lang samenbleef was in het licht van de levensverwachting van toen een attractie. En scheiden was des duivels oorkussen, dat hielp natuurlijk ook.


Twee jaar later werd mijn opa aan moeders kant tachtig. Daarover werd gesproken: dat het typisch was voor die familie Vanderhoofd, die stam van oude telgen. Andermaal big party dus, met als bedoelde orgelpunt een koud buffet in de befaamde Salons Georges. Op weinig andere momenten voel je je zo burgerlijk dan op een feest in een feestzaal. Het gaat er altijd over werk of school. Alle vragen die dating-adviseurs afraden op straffe van saai te worden bevonden komen aan bod.

Het was voor die gelegenheid dat ik die brief schreef.


Vandaag word je net zo onopgemerkt tachtig als veertig. Niemand nog die ernaar komt kijken. People are busy. Hooguit wijdt een verveelde tante met een paar foto’s een Facebookpost aan je. Dat levert wat likes op, altijd deugdelijk. Meteen wordt dan ook duidelijk waar je in de belangstellingsranking staat.

Maar, als je het maar genoeg verdient, maakt er toch nog iemand een momentje van. En als je ervan houdt maakt je dat blij. Het siert je, Dave.


Kortgeleden liet ik mijn vijftigste verjaardag geruisloos passeren. Ik hou niet van gedruis. Maar toen voor die bijzonderheid élke belangstelling ontbrak deed het pijn. Een gepast ‘proficiat met je nieuwe voordeur’ of ‘gefeliciteerd, Abraham’ bleef simpelweg uit. Een paar enkelingen hielden het bij een eenvoudig ‘gelukkige verjaardag’.

9 september 2021 werd zo, iets meer dan gepland, een gewone donderdag. Behalve dan de landelijke aandacht voor het feit dat John Lennon exact vijf decennia eerder Imagine uitbracht en dat 9 september 1971 dat magische moment was waarop David Bowie Iggy Pop en Lou Reed ontmoette.


Hoe dan ook, een zekere leeftijd halen wordt pas markant als die verbaast. Een (vrouwelijke - een fijn detail) collega maakte de povere sociale media-aandacht in één klap goed:” Jij? Vijftig? Dat zou je niet zeggen.” Ik denk dat ze het goed bedoelde.

Dat soort van positieve verontwaardiging voelde ook ik toen Dave mij onlangs liet weten dat nonkel Karel, zijn vader, mijn peter, tachtig zou worden. Dat leek me in eerste instantie onmogelijk.


Nadat hij Leuven voor Aarschot ruilde, ruim veertig jaar geleden, verloor ik nonkel Karel uit het oog. Het is hoe de dingen soms gaan, druk-druk-druk is niet iets van deze tijd alleen.

Hij was net gescheiden en begon er een nieuw leven. En hoe langer hoe meer werd het voor ons raden naar wat hij daar precies allemaal uitrichtte. Hij werd het buitenbeentje van de familie. Beslist geen eretitel in het behoudsgezinde milieu vanwaaruit hij kwam. Voor sommigen was hij zelfs een zondaar.


Mij stoorde het allemaal allerminst. Misschien zag ik er toen al, niet met zoveel woorden, een man in die resoluut zijn eigen weg koos. Met horten en stoten en wars van de soms uiterst pijnlijke commentaren. Hij liet ze betijen. En wentelde zich in zijn nieuwe relatie.


Op de lange duur ontmoetten we elkaar alleen nog met Kerst. Tot halverwege de jaren negentig: toen stierf mijn grootmoeder en hielden de familiebijeenkomsten zo goed als op. Het stamhoofd, de lijm, was niet meer. Alleen nog aan begrafeniskoffietafels zitten we samen, een iconisch familielid uit te wuiven. Zo brokkelt, bij een pistolet met kaas of hesp, ons vormingsfundament beetje bij beetje af. We weten dat wanneer we de volgende keer met zijn allen kriekentaart eten we weer met iemand minder zullen zijn.


Nu en dan schrik ik ervan hoe de tijd aan mijn muziekhelden knaagt. Ze zien er jarenlang hetzelfde uit, misschien wat rimpeliger en grijzer, een beetje meer nonkel, maar toch, en plots zijn ze een opa. Zelfs Paul McCartney (in juni zelf tachtig) heeft ervan. Twee jaar geleden zag ik een flink aangedikte Mark Knopfler live. Hij soleerde als vanouds maar gaf aan het eind van het concert toch vooral een opgeluchte indruk. “Zo, we hebben ze weer verdiend,” leek hij bij het slotapplaus te denken. “Waar zijn mijn pantoffels, en mijn boek?”


Dat beeld, van die plots naar grootvader gemetamorfoseerde prille zestiger, kreeg ik ook toen ik nonkel Karel vorig jaar na lange tijd weerzag.. Hij liep aan de arm van een voor mij onbekende dame. Dat verbaasde niet, hij was altijd al een womanizer. Hij lachte, deze vrouw deed hem duidelijk goed. En dat stemde me vrolijk.


De looks had hij nog wel, die knapperd onder de Elli’s, maar daar heeft hij wellicht zelf weinig aan: voor mij stond namelijk een blinde man. Hij trachtte enigszins onhandig te raden wie hem dag kwam zeggen, door te luisteren, of hij een stem kon herkennen, en klungelig te betasten.

Ik wist van zijn oogziekte, ik kende hem eigenlijk nooit anders dan slechtziend, maar de ernst ervan had ik onderschat. Retinitis pigmentosa heet het, een verschrikkelijke voortschrijdende aandoening. “Heel soms neemt hij nog licht waar,” weet Dave. “Als je hem een tijdje in een donkere kamer zet met een lampje voor zijn neus.” Het klonk mij als iets uit een proeflab met ratten. Zijn ziekte vrat aan hem, dat was hem aan te zien. Maar op de liefde kreeg ze geen vat. Eens nonkel Karel, altijd nonkel Karel: de dame aan zijn arm bleek zijn nieuwe geliefde.


Mijn herinneringen aan nonkel Karel zijn schaars en allerminst opwindend. Bagatellen, maar wel van die aard dat ze later kleine ankerpunten bleken.

Toen ik een jaar of vijf was, op een van de weinige keren dat ik bij hem at, daagde hij mij uit met een voor mij onbekend bordeauxrood, raar schelletje charcuterie. “Eet maar op,” lachte hij. “Is dat nog wel goed?,” vroeg ik. “Paardenvlees. Daar word je sterk van.” Paardenvlees?? Ik bleef daardoor altijd van paardenvlees houden.


Kristel was er toen ook, mijn nicht, zijn knappe dochter, ze was enkele jaren ouder dan ik.


Kristel en ik leerden elkaar nooit echt kennen. De omstandigheden waren er niet naar, en dat is jammer want ze was een Elli en Elli’s zijn cool, kijk naar mijn dochters. Toen haar ouders scheidden verdween ze samen met haar moeder min of meer uit ons midden. Zo werd ze het nichtje dat ik nooit echt had.


Halverwege de jaren tachtig dook ze weer op: ze werd schoonheidsspecialiste en kwam thuis plots mijn moeders benen verzorgen. Ze werd een jongvolwassen vrouw, onmiskenbaar de dochter van haar mooie mama, met een vleug Elli-ness erdoorheen.

Ik had toen het contact kunnen herstellen. Maar daarvoor was ik te puberend: we praatten even, maar kort daarna trok ik naar mijn kamer. Ik luisterde naar een plaat van Visage die daardoor onlosmakelijk verbonden is met Kristel. Als voorspeller voor hoe dramatisch het met haar afliep kan Fade to Grey wel tellen. Want ik zag haar nog één keer terug, ze werkte dan af en toe mee in de zaak van haar moeder, die runde intussen het Kasteel van Wippelgem, in het verre Meetjesland. We gingen daar in de jaren vroege jaren 0 een aantal keren chique brunchen. Pas veel later, in 2008, vernam ik dat ze op 41-jarige leeftijd, na een kort ziekbed, overleed.


Ik weet hoe lastig het is om peter te zijn. Ik heb twee zelf twee petekinderen en ben daardoor erg vereerd. Tegelijkertijd voel ik mij die rol niet helemaal waarmaken. De definitie van wat een goede peter is, is dan ook niet duidelijk.


Een petekind is een ‘kind dat speciale aandacht geniet van een peetoom of peettante.’ klinkt het in het woordenboek. Als voorbeeld staat erbij: “Ik stuur mijn petekinderen altijd een cadeautje voor hun verjaardag.” Nou, als dat de bepaling is, dan scoor ik niet slecht: ik heb tenminste nog het fatsoen mijn geschenkje zelf af te geven.


“Ik stuur mijn petekinderen altijd een cadeautje voor hun verjaardag.” Nou, als dat de bepaling is van een goeie peter, dan scoor ik niet slecht: ik heb tenminste nog het fatsoen mijn geschenkje zelf af te geven.


Die speciale aandacht kreeg ik van nonkel Karel lange tijd zeker. Telkens we mekaar zagen gaf hij mij een stuk van 10 frank. Wie zich de frank nog herinnert weet dat deze zilveren munt iets majestueus had en bovendien redelijk schaars. Dat nikkelen stuk was voor mij zijn gewicht in goud waard.


Nonkel Karel blonk uit in het bedenken van schitterende presentjes. Ik associeer hem altijd met electronica, prutserij eigenlijk, met Tandy-rommel, destijds de doe-het-zelf-zaak voor knutselaars zoals hij. En met sjacheren, illegaal CB’en en video’s kopiëren, piraterij. In een mum van tijd legde hij zo een fenomenale filmcollectie aan en verzamelde een schat aan oorlogsdrama’s en -documentaires.


Zijn liefde voor elektronische gadgets probeerde hij ook mij bij te brengen, met een aantal cadeau's in dat genre. In de jaren zeventig al was hij uiteraard een van de eerste dragers van het Casio digitale led-horloge. Voor mij deed hij daar nog een schepje bovenop: ik kreeg van hem de Radiodigit Radio-Watch Digital Men's LCD Watch, een van de eerste horloges met ingebouwde radio, inclusief headset. Daarop viel geen zender te ontvangen, maar dat was bijzaak.

Ronduit ingrijpend was de schenking van de legendarische Gamatic 7706, een spelcomputer nog voor die pas met de Atari 2600 eigenlijk werd uitgevonden. Die maakte het mogelijk Pong gewoon thuis te spelen en dat was ongezien. Niet te lang, want het was schadelijk voor de beeldbuis en niet te dicht bij het scherm, want van de straling kreeg je kanker.

Ik bofte met mijn peter. Mijn ouders vonden het onnodig, dat soort van dure cadeau’s en mijn broers waren stikjaloers. Ik liet het mij welgevallen.


Onderweg kreeg hij een flinke zoon, Dave. Ik zag hem maar zelden, hij woonde ook zover, en hij is natuurlijk een stuk jonger. Mijn contact met nonkel Karel kwam in die jaren daarop op een laag pitje te staan. En zo komt het dat ik de opgroeiende Dave voor een groot deel heb gemist.


Tegenwoordig smeden Dave en ik banden. We halen samen wat dingen in. Wat een topper, met heerlijke humor, het soort waarin mijn vader ook zo goed was: droogweg en niet altijd door elke stakker begrepen. Subtiele grappen waar ik dol op ben. En vooral: Dave werd de muzikant die ik altijd wou zijn. Hij is net niet mijn reïncarnatie.


Ik zag nonkel Karel vorige week terug, na meer dan een jaar. Hij mij niet. Het is frappant hoe handelingen, lichaamstaal, zinsbouw, lachen, blikken, zithoudingen, intonaties schijnen te blijven. Precies zoals je profiel lijken die aan geen verandering onderhevig. Hoe merkwaardig is het dat die ei zo na blinde nonkel mij toch zijn typische oogopslag gaf die hij niet meer heeft.


Wat een warm weerzien. Met nonkel Karel, met Dave. Dave maakte wat foto’s van ons tweeën. Dat zal van mijn geboorte zijn geleden. Foto’s die hij nooit zal zien. Ergens zal er van mij een beeld op zijn zieke netvlies zitten gebrand dat niet meer klopt. Van een dikkerdje, met haar en zonder bril misschien.


“Geef je de foto’s ook aan Francineke?,” vroeg hij Dave. Dat is de onbekende dame van op de begrafenis. “Een ferme vrouw,” zei ik, “goed geregeld!” “Ik zou het niet weten,” antwoordde hij laconiek. “Ik heb ze nog nooit gezien.”

Betast wellicht wel, ouwe vos.



Vind je deze blog leuk? Geef hem onderaan een hartje!


Deze blog delen op Facebook of Twitter? Klik op de knop linksonder en klaar. Een commentaar op de sociale media toevoegen is ook altijd fijn.

2022, 7 januari, Aarschot (Sixstring Studio) (België). Foto: Dave Elli (2romancemusic.com, FB/IG: @2romancemusic/@2romancemusic; FB: @sixstringstudioaarschot, IG:

@6stringstudio).


De inleiding is een parodie op de Jimmy & Alfredo-verhalen van nonkel Karel. De delen 1 t/m 5 zijn nu als luisterboek verkrijgbaar op jimmyenalfredoluisterverhalen.be. (5 euro per deel). De opbrengst gaat integraal naar het onderzoek van retinitis pigmentosa.


104 weergaven

Gerelateerde posts

Alles weergeven