• Joost Elli

Bang van dwang

Net toen ik de Fnac binnenging begon Jaco Vlaey druk te doen tegen de portier. Hij weigerde de handgel, ervan overtuigd dat de veiligheidsagent hem ermee wilde vergiftigen.

Voor wie, zoals ik, zijn brood verdient in de psychiatrie én in stadsrand woont is werk en privé gescheiden houden niet altijd eenvoudig. Ik mijd patiënten in mijn vrije tijd - daar is niks mis mee overigens - maar wanneer ik ze tegenkom zìjn ze er natuurlijk wel.


Ik ben niet zo’n zorgverlener die zich onmisbaar waant, behalve op woensdagnamiddag, vrijdag, zaterdag, zon- en feestdagen, op brugdagen, tussen Kerst en Nieuwjaar, tijdens de korte schoolvakanties en (naar keuze) de ganse maand juli of augustus. Zo eentje die zich vernederd voelt wanneer hij niet bij elke banale beslissing over een patiënt betrokken wordt, maar er niet aan denkt om in de stad te gaan huizen omdat hij hem daar voortdurend tegenkomt. Hij resideert op het platteland, wauwelt over re-integratie van zijn cliënt en zadelt de stadsmens ermee op. Ja, opzadelen, want dat is het soms.


Er heerst een jammerlijke trend in de geestelijke gezondheidszorg. Die heeft als doel vrijheidsbeperkende maatregelen terug te dringen (lees: afzonderingen, in de volksmond ‘isolaties’) en het aantal ziekenhuisbedden af te bouwen: de plaats van de psychiatrische patiënt is niet langer in een instelling, maar in de maatschappij. Dat is een vervelende mode omdat het kind met het badwater dreigt te worden weggegooid: elke vorm van dwang wordt onbespreekbaar en tot vervelens toe worden patiënt gedwongen het ‘buiten’ te gaan proberen. Dwang is soms de meest verantwoorde keuze en voor sommige patiënten is een verblijf in een instelling het beste wat hen kan overkomen. Maar dat durf ik al lang niet meer luidop zeggen.


Ik leerde Jaco Vlaey kennen als geïnterneerde, hij werd vanuit de gevangenis bij ons opgenomen. Ik had een boon voor die gast, hij had iets innemend. Evenwel, mijn ‘niet-pluis-gevoel’ is onderhand dermate ontwikkeld dat ik op mijn hoede voor hem was: niet omwille van agressie, maar hij zou me weleens flink kunnen naaien. Hij oogde fris, het soort dat bij oudere homo’s die een groen blaadje lusten in de smaak valt, type Ritchie Tozer in It’s A Sin (Olly Alexander). En dat wist hij maar al te goed, het had hem geen windeieren gelegd. Hoed u voor de modelpatiënt is een van mijn credo’s. Jaco Vlaey was een modelpatiënt.

Omdat ik op een andere afdeling ging werken verloor ik hem uit het oog. Goed anderhalf jaar geleden hing hij rond in de Burger King. Hij had een euro te weinig voor een cheeseburger en deed daarover moeilijk bij de kassier. Hij zag me zitten. “Heeeeey, psychiatrie!!", riep hij luid. “Ik kom nooit meer bij jullie hoor! Dat zit daar vol gekken!” Gelukkig ging hij er snel weer vandoor.


Ik vernam dat zijn internering was opgeheven en nu ergens alleen woonde in de stad. Dat deed hem klaarblijkelijk geen deugd. Hij maakte een gejaagde indruk, kreeg zijn lichaam niet stilgehouden. Hij was mij niet bekend als een gebruiker maar het had me niet verbaasd mocht hij onder de speed hebben gezeten. In dat geval had hij er dus een probleem bij. Om nog maar te zwijgen over hoe hij zichzelf te kijk zette: of hoe hij de stigmatisering van de psychiatrische patiënt nog eens een flinke duw in de rug gaf.

Aan de Fnac, kortgeleden, deed hij het weer: “Heeeey, psychiatrie!”. Ik ging met hem in gesprek teneinde de bewaker verder te ontzien en de klanten, op zoek naar wat ontspanning, gewoon weer de winkel in konden. Niemand zit op druktemakers te wachten. Voor Jan Modaal is Jaco Vlaey gewoon een vervelende gek.


Hij scheen door mij heen te kijken en luchtte luidruchtig zijn hart: “Ze hebben mij in een woonblok gestoken. Ik word daar zot. Er staat een oorlogstank op gericht, die constant kankerstralen schiet. Ik moet daar weg maar ik weet niet waarnaartoe. Maar ik kom niet meer naar de psychiatrie! Ga maar wat verderaf staan, want ik heb ook kanker, ik kan u bestralen!”

Ik vroeg hem of hij nog iemand zag, die hem misschien kon helpen. Ten tijde van zijn opname was het enige contact dat hij had ene Albertine, een Jehova’s getuige tante. Na het beëindigen van zijn internering had hij met haar gebroken. Ongetwijfeld werd hij nog min of meer door een mobiel team in de gaten gehouden, maar daarover wilde hij het niet hebben. Hij gaf ook aan met zijn medicatie te zijn gestopt. “Ik neem niet langer dat vergif in,” riep hij luid, nog steeds op de Bondgenotenlaan. “Ik krijg daar erectieproblemen en kanker van!” Kanker was duidelijk een thema. “En nu willen ze mij hier ook al vergiftigen.” En weg was hij.

Tijdens de eerste lockdown, toen iedereen nog in zijn huis bleef, maakte ik af en toe een wandeling door de stad. Er was op straat zo goed als niemand, ik zag alleen mensen met zorgen. Vreemd dat dit niemand opviel: aan lager wal geraakte figuren, alcoholisten die van de ene dag op de andere zonder hun spul werden gezet en ex-patiënten. Ze struinden maar wat en de enigen met wie ze praatten waren lotgenoten. Het deed me aan The Walking Dead denken. Terwijl de meeste mensen onderdak vonden, letterlijk en ook bij elkaar, kwijnden zij weg in een aftandse studio en kwamen ze buiten in een volstrekt verlaten wereld.


In de stad valt te zien tot wat die onstuitbare drang tot vermaatschappelijking van de zorg soms leidt. Het is goed dat mensen de kans krijgen hun leven buiten een instelling door te brengen, het zal wel zijn, maar het is een misvatting dat dit voor elke patiënt de goede oplossing is. Sommigen van hen komen, na zeer lange tijd, in een totaal veranderde wereld terecht. Uit angst voor misbruik werd sommigen van hen jarenlang het gebruik van internet en smartphone ontzien. Begin er maar aan in dit digitale tijdperk. Bij een van de patiënten waarmee ik vandaag werk staat letterlijk in zijn voorwaarden van de Kamer voor de bescherming van de maatschappij: elke vorm van gebruik van het internet is strikt verboden. Daar valt gezien zijn zedenfeiten met minderjarigen in te komen, maar het hypothekeert meteen ook elk toekomstplan buiten de muren van een instelling. Voor wie het niet begrijpt (en daaronder vallen nogal wat zogeheten professionals): er bestaat geen wereld zonder internet.


Het is waar dat mensen vandaag mondiger zijn geworden zoals dat met een cliché heet. En het is goed dat de tijd voorbij is dat hulpverleners altijd maar de beslissingen namen in de plaats van de betrokkene. Maar die gedachte is ongelukkigerwijs verworden tot ‘de regie van de behandeling ligt bij de patiënt’. Dat brengt schrijnende toestanden met zich mee. Het betekent dat gekwelde zielen er gekweld bij blijven lopen. En dan gaat het alleen nog maar om de gevolgen voor zichzelf.


Ooit was dat anders, was het evenwicht er wel, en werd patiënten nu en dan onder dwang medicatie toegediend. Het is perfect verdedigbaar. Soms worden situaties voor beide partijen onhoudbaar: de patiënt lijdt onnoemelijk veel en de hulpverlener krijgt op zijn gezicht of kijkt gefrustreerd toe. Het is geen hulp meer die hij verleent, hij dient alleen nog maar om de kalmte te bewaren. Er wordt niemand beter van patiënten in hun lijden te laten: hijzelf niet, zijn familie niet, de hulpverlener niet, niemand. Dit gezegd zijnde: ik hoop dat ik morgen op mijn werk nog welkom ben.

2021, 9 april, Leuven (Sint-Maartensdal) (België). Foto: Bart Cloots.

232 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven

Jean Paravent

Potenrammen