• Joost Elli

Jean Paravent

Een kwieke zeventiger in een smaragdgroene trainer wandelde zonet voorbij: een pak, een ensemble, met aan beide kanten overlangs een fuchsia streep. Die streep leek wel lichtgevend. Het haar perfect in zijwaartse plooi, een bril met gouden montuur op de neus en zonder twijfel ook een zegelring. Kijk uit voor mannen met een zegelring. Een brief, stevig in de vuist.


Ik keek de knar na, benieuwd of hij, afgaande op zijn plunje, zou gaan draven. Dat deed hij niet. Hij bleef gewoon kuieren, wellicht richting postbus.


Ik ken notoire aanhangers van het joggingpak, thuisgebruikers. Mij daarentegen tref je er nooit in aan. Slobber ik aan de buitenkant, dan volgt de binnenkant. Mijn kledingstijl is discutabel, dat weet ik. Maar je zal mij nooit betrappen op vestimentaire losbandigheid. ’Tijd thuis is waardevolle tijd,’ stelt Marie Kondo. De redenering van de homewear ontgaat me: “Ik dirk me voor de hele wereld op, alleen jij, liefste, bent dat niet waard.” Ik stel me voor dat louter zelden en bij toeval in sportoutfit wordt gedatet. Slechts de straat op gaan in joggingpak voelt nog erger. Dat komt binnen als een dikke fuck you.


Dat alles in de veronderstelling van keuzemogelijkheid. Gedwongen in een trainingspak worden gewrongen is mijn ultieme nachtmerrie. Het overkomt nochtans dagelijks mensen, begonnen van de ene dag op de andere, veelal in zorginstellingen. Wat hersenbloedinkjes of een ongelukkige hoofdklap en het kan zomaar prijs zijn. Want komt er een pamper aan te pas - en die keuze is vaak snel in uw plaats gemaakt, een accidentele lekkage volstaat - is het bingo, dan ga je aan de turnbroek. Dat is namelijk gemakkelijk. Gaat het over goede smaak dan is het argument gemakkelijk veruit de slechtste raadgever.


Op mijn eerste dag als psychiatrisch verpleger, dertig jaar terug in de tijd, kwam een oud heertje naar mij toe: grijs kostuum, flatcap (dat heette toen nog gewoon een klak) en wandelstok. ‘Ik ben Jean,’ zei hij. ‘Jean Paravent. Van Leuven.’ Hij maakte er een punt van met elk nieuw gezicht kennis te maken. ‘Kent gij ’t Poske*, in Leuven?,’ vervolgde het. ‘Dat is van mij.’ Zo ging het altijd.


Jean sleet zijn leven in de geesteszorg. Hemzelf stoorde dat allerminst. In de patiëntengroep was hij eerder onopvallend, hij daagde eigenlijk alleen op bij de maaltijden, enige grootheidswaanzin was hem niet vreemd en derhalve gedroeg hij zich wat verheven. Zijn belangrijkste bezigheden waren: wandelen, af en toe wat eten, zich de eigenaar van ’t Poske wanen en strak in het pak zitten. Dat was voor hem genoeg.


Jean liep er altijd een beetje vuil bij. Zijn neusloop raakte hij nooit helemaal de baas, zijn mondhoeken verraadden de laatste maaltijd, zijn brillenglazen schenen van melkglas en zijn debardeur zat meestal onder de sigarenas. Zijn linkeroog verdween bijna in de kas, iets of iemand zo leek het, misschien wel hijzelf, had het er ooit pogen in te duwen. Dat maakte dat hij al deze onvolkomenheden simpelweg niet zag. Het idee dat hij in kostuum liep volstond. Dat had hij altijd zo gedaan. Al de rest was een beetje bijzaak.


Er ging van onze kant veel aandacht naar dit soort waardigheid. Er kwam een kleermaker over de vloer die de chique kostuumbroeken verstelde en van een elastiek voorzag, zodat ze mét pamper konden worden gedragen. Die fijngevoeligheid ging er beetje bij beetje uit. De kleermaker verdween en de pakken vervangen door comfortwear.


En zo komt het dat er in het bijzondere biotoop van de zorg soms professoren en religieuzen, totaal in de war, in trainingspak kunnen worden aangetroffen. Terwijl het evengoed een toga of kazuifel had kunnen zijn. Eenmaal incontinent, verdwijnt elke rang of stand.

2021, 28 maart, Herent (België). Foto: Bart Cloots.


*Nu: Leuven Central (Volksstaminee leive central, Margarethaplein 3, 3000 Leuven).

167 weergaven

Gerelateerde posts

Alles weergeven