• Joost Elli

Kroegen Van D'Aa Met

Kessel-Lo, 23 april 2021


Beste Koen

Eergisteren, op die prachtige lentedag, liep ik langs aan wat ooit De Kaffaer was, ons café, op de hoek van de Parkstraat. Gewoon, om de pijn van het gemis nog eens te voelen, van de compagnie en misschien ook wel de vuiligheid.

Er is geen veiligere uitgaansplek dan de Oude Markt. Als je dochters dààr uithangen, maak je die avond dan verder geen zorgen. Mijn ouders hielden mij er liever weg. Toen ik er op mijn twaalfde, bij de Jozefieten, ging schoollopen, was hun bezorgdheid groot.

Voor rector Luc Sels kan de confrontatie van scholieren met ochtendlijke zatteriken niet langer: hij wil een sluitingsuur voor de café’s. Ik mocht die verdwaalde nachtbrakers wel. Ochtenden op de Oude Markt hadden wat: klasgenoten pakten in de Cité nog snel voor de bel een pint, voor en na school deed iedereen wat hij wilde, als je er was, was het al lang goed. En je haar moest kort, dat ook. Op vrijdag dronken om zeven uur de eerste marktgangers in De Rector hun koffie, ze waren er net klaar met bloedvegen en tanden rapen. Een vredige tijd. Ik toefde op dat moment in de Videoboy: een pedofiel propte in een kamer vijf speelkasten bij elkaar en noemde het een lunapark. Afgezien van wat staren liet hij mij met rust. Tot zover mijn rebellie.

David Frateur, gegoed klasgenoot, bracht de ommezwaai. Hij droeg Daniel Hechter en Chipie-jeans, en troonde mij mee naar de Oriënt, de eerste ‘betere zaak’. Hij leerde me er Kriek drinken, alle begin is moeilijk. Met mijn broeken van de Pantashop was ik er ongewenst, Paul Jambers’ spraakmakende reportage over snobs sleepte na. Ik probeerde het nog met een Cacharel kabeltrui, tevergeefs, parvenu’s halen de valsspelers er zo uit. Frateur trachtte mijn nog verder te ontgroenen in de Samambaia, de danstent, maar ik weigerde.

De Revue was (en is) het enige café op de Oude Markt dat me bekoorde. Jij zat in Den Allee, die plek trok me nooit aan. Den Ajuin en de Nix (waar Evrard tapte) meed ik, vanwege drugs en iets te zware jongens, in de l’Oscar zaten alleen maar homo’s, in de Ambiorix Limburgers en d’Oase was voor lesbo’s. Sportieve types, niet ik dus, dronken cola-fles in De Colff, hippies smoorden in De Kroeg.

De vaste tappers in De Revu gaven me dat thuisgevoel, en de muziek was goed. ’s Avonds draaide een jonge gast uit de gigantische vinyl-collectie, hij kende ze als zijn broekzak. Het cafeetje staat onveranderd met twaalf toogkrukken en wat bartafeltjes en taboeretten vol. Toch is er ook een gokspel en er wordt gedart. De vlieglijn van de pijltjes van steeds dronkener chuckers kruist de weg naar de ongemeen vuile wc’s.

Het gaat over de ziel van het café, Koen, de liefde voor het vak. Ken je die halve voldoening, als je eet in zo’n volautomatische frituur, waar de frieten en de curryworsten elke keer exàct hetzelfde zijn? Het zal toch altijd de mens-in-het-moment zijn die het verschil maakt …

De Kaffaer kende daarin zijn gelijke niet. Bij het begin van onze verpleegopleiding zaten Evrard en ik er alleen ’s middags en na de les. We vonden het goed met Dimi, de baas, een Jezus-type. Hij stond altijd zelf in zijn kleine café. Ik kwam op die plek graag.

Te eten viel er niet, afgezien van soms een kop verse soep, meestal ajuin, gewoon omdat hij die zelf het liefst at en hij bood ze alleen aan als hij genoeg voor zichzelf had. Voor het overige leefden we op Katjang pedis-nootjes en bier.

Na een tijdje was de Kaffaer meer toe dan open, de voorbode van een onvermijdelijke sluiting. Een jongeling nam over. Hij miste de authenticiteit van Dimi. Wat een monument ook moest hij vervangen. Hij gaf ons pinten en daar bleef het bij … We bleven er weg.

Ik zag talloze café’s veranderen. Het herenhuis dat De Wiering was draaide op twee mensen, Peter, de garçon, was een raspaard. De overgenomen zaak werd een zoveelste brasserie en ging teloor. Ongetalenteerde studenten dienden op en een allegaar van anderstaligen maakten Vlaamse stoverij en tongschar a l’Ostendaise. Ik werkte een tijdje in de La Royale en zag hoe min of meer alles uit pakjes kwam. Een sympathieke Pakistaan warmde er de huisbereide lasagne met verve op, maar in De Abdijmolen, De Oude Kantien en al de rest waar de Lodge-groep ergens mee tussenzit proeft hij nog steeds precies hetzelfde.

We stellen ons als klant te snel tevreden. We mogen best wat meer identiteit verwachten. Sofie en Jaak maakten At the Bebop tot wat het was, bij In Den Rozenkrans deden Wim en Aline dat jarenlang (de broers Vanautgaerden doen hun best), Fons en Linette bezielden de Réjean, Dikke Flor wàs Den Delper. Gelukkig zijn er nog de volhouders en zijn ze ongemeen geliefd: Luc Stroobants van In Den Engel, den Eric van De Kastaar in Kessel-Lo, Luc van het Buurthuis in Bierbeek …

Dat is ook waarom ik met Evrard nog steeds af en toe in de Concorde kom. De biljarters kijken dan op, bang dat we hun gewoontes doorbreken. We komen een samenleving in. Jos herkent ons en er herhaalt zich een ritueel: met omzichtigheid schenkt hij mijn Jupiler 0,0% uit, als was het edelbier. Evrard probeert een Orval vast te krijgen en als hij geluk heeft lukt hem dat. Daar hoort dan elke keer het verhaal van Jos bij, dat Orval nog nauwelijks is te vinden, dat hij al blij mag zijn als hij in Colruyt Heverlee twee maal zes flesjes vindt, dat hij er zelfs al een aantal keren speciaal naar de brouwerij voor is gereden. Zijn laatste krijgt Evrard nooit, die bewaart hij voor zijn vaste klant, een Orval-drinker. Dat is zoals een café hoort te zijn. Er is hiërarchie, Jos is de baas, klant is koning, maar de ene net iets meer dan de andere. Het echte leven.


Ik hoop dat we dat snel weer hervatten.


Genegen,

Je kozijn


Joost

1993, 22 januari, Leuven (Oude Markt) (België). Foto: Evrard Valvekens.


Luister hier naar Kroege Van D'Aa Met van Big Bill (Spotify).

Bekijk hier De Millet-Generatie (Panorama, Paul Jambers, 1986).

113 weergaven

Gerelateerde posts

Alles weergeven