De homo metricus en zijn speeltjes
- Joost Elli

- 9 uur geleden
- 3 minuten om te lezen
Op een bloedhete namiddag zat ik met een vriend op een terras. “Ik heb al 11.842 stappen,” zei hij terwijl hij zijn horloge onder mijn neus duwde. “Niet slecht bij deze temperaturen.” Hij keek bedrukt. “Warme dagen zijn altijd een beetje miserie,” pufte hij. “Dan is het opletten dat er niet te veel stroom van de zonnepanelen naar het net gaat. Gisteren was het maar 11 kWh. Een zelfverbruiksgraad van maar liefst 69 procent!” “En trouwens: who gives a fuck?”, meesmuilde ik. Hij tikte fors op een ontiegelijk klein grafiekje op zijn schermpje. Ik zat naast een winnaar. Een jongetje, fier op zijn gadget.
“Het gaat om het spel,” antwoordde hij. Zo had ik dat rare monitoren nog niet bekeken. Het gaat helemaal niet om dat meten van die stappen en calorieën en wat weet ik nog allemaal. Het is niet zomaar meten om te weten. Het is meten om te spelen. Verpakt in sérieux.
Het fenomeen spelen heeft me altijd gefascineerd. Alleen doe ik het zelf haast nooit meer. Ik heb de neiging om in alles wat ik doe betekenis te steken. Dat maakt van mij een tamelijk moeilijk tevreden te stellen man. En dat is spel nu net niet. Of toch niet op het eerste gezicht. De vraag is dus: waarom zouden we in godsnaam spelen? Het ligt immers niet bepaald in onze aard om voortdurend dingen te doen waar we niets aan hebben. Er moet dus een andere bekrachtiger zijn dan nut.
Dat blijkt verrassend eenvoudig. Johan Huizinga beschreef in Homo Ludens (1938) hoe spel de basis vormt van onze cultuur. Creativiteit, rituelen, rechtspraak, kunst en sport: volgens hem ontstond het allemaal uit spel. Daarmee heeft spel wel degelijk betekenis, maar niet meteen nut. Het heeft vooral waarde in zichzelf. En toch spelen we. Activiteiten waarin we kunnen oefenen, leren en verbeteren, geven vaak voldoening. Elke kleine vooruitgang voelt goed. Biologisch gezien is dat bijzonder handig geregeld. Omdat oefenen aangenaam voelt, blijven we het herhalen. En zo worden we ergens beter in. Dat gevoel heeft een naam: plezier.
Plezier zit daarom vaak in herhaling, uitdaging en vooruitgang. Niet zozeer in het eindresultaat, maar in het gevoel dat je dichter bij een doel komt. En precies daar klapt de val dicht. Want zodra vooruitgang meetbaar wordt gemaakt, kan ze ook verkocht worden. De Homo ludens wordt een Homo metricus. En terwijl hij naar zijn grafiekjes kijkt, staat de Homo consumericus al met open mond klaar. Het vrije spel werd langzaam verdrongen door commercie, massaconsumptie, propaganda en eigenbelang. Wat ooit intrinsiek was, kreeg een extern kantje. Het plezier van het oefenen maakte plaats voor punten, klassementen, statistieken en erkenning.
Vandaag zie je dat overal terug. In stappentellers en Strava-segmenten. In werk en onderwijs, waar badges, targets en scores motivatie moeten vervangen. Op sociale media, waar likes, views en volgers een vorm van status zijn geworden.
Het resultaat van een spelbehoefte waarvoor steeds minder ruimte overblijft, is dat ernstige zaken steeds vaker als spel worden verpakt. Te pas en te onpas worden dingen opgeleukt. Werk moet leuk zijn. Studeren moet leuk zijn. Talen leren moet leuk zijn. Sporten moet leuk zijn. Zelfs geld sparen moet tegenwoordig leuk zijn. Alsof elke vorm van ernst eerst in een spelletje moet worden verpakt vooraleer we er nog zin in hebben. Daarbij geholpen door een leger irritante mascottes en narren die zich de hele dag uitsloven met felicitaties, ongevraagd advies en digitale schouderklopjes. Met op kop die trut van een KBC-Kate, die zich meent te moeten moeien met mijn uitgavenpatroon. En zo wordt, heel ongemerkt, wat ooit ontspanning was opnieuw een doel. Dat heet de Wet van Goodhart: zodra gedrag meetbaar wordt gemaakt en gekoppeld aan een beloning, verschuift het doel naar de maatstaf zelf.
“De volwassenheid van de mens bestaat erin de ernst terug te vinden die hij als kind had tijdens het spelen,” schreef Nietzsche. Daar ben ik behoorlijk goed in. Ik speel al mijn hele leven mee in mijn eigen Grote-Joost-Elli-Show. Een spel waarin de inzet meestal veel groter is dan het publiek vermoedt, en het publiek meestal veel kleiner dan ik dacht. Geef deze blog hieronder gerust een hartje. Hoe meer, hoe liever.

2026, 8 mei, Brussel (De grootste Brusselse wafel ter wereld, Jacques Francksquare (Sint-Gillis), ontwerp: Katrien Vanderlinden, 2022) (België). Foto: Floor Elli.
DUS: vindt u dit stukje wel wat hebben? Geef het dan onderaan een hartje.
Delen op Facebook of X kan ook: klik op de knop linksonder en klaar. Zet er even hashtag thedailyelli bij.
Wilt u graag reageren? Dat kan beneden op deze pagina (opgelet: uw reactie is zichtbaar).
Meer fijne korte uiteenzetting over de Wet van Goodhart vindt u hier. © Lotte Reijmer



Opmerkingen