• Joost Elli

Flexi-jobben in de horeca

Om den brode met geestesgestoorden (wat een woord) omgaan, doe je niet zonder dat er iets blijft kleven. De boutade luidt: Je moet wel gek zijn om in de psychiatrie te willen werken. Niemand zwoegt er zich te pletter, dat nu ook niet, maar echt vrolijk word je er niet van.


Als antigif besloot ik in mijn vrije tijd de andere kant van het spectrum op te zoeken, de nabijheid van de ontspannen, vrolijke burger, die zichtbaar zorgeloos geniet van zijn verpozing, in het gezelschap van een goed glas. Ik laat zowat mijn halve loonzakje achter in de horeca, dus vertrouwd met het decor en de geplogenheden ben ik wel. Een cafébaantje leek me daarom ideaal. Met als prettige bijkomstigheid een extraatje om mijn bourgondische levensstijl mee te bekostigen.


Met die overtuiging bood ik mij aan als kelner in een brasserie, ‘spontaan’ zoals dat heet, én rechtstreeks bij de gerant. Ik bracht mijn rol met overtuiging, ik heb acteerervaring. De mistroostige baas met de onverstaanbare naam zag een samenwerking wel zitten. Of ik een cv kon voorleggen? Dat kon ik. Als bij toeval toverde ik een netjes getypte brief uit mijn binnenzak. Ik maakte zijn dag goed. Bazen hebben mijn compassie, en horecabazen al helemaal. Doorgaans staan ze aan het hoofd van een zootje ongeregeld. Welk kind wil immers later ober worden, dan nog liever in de psychiatrie. Ik zag hem denken: “Deze doorwinterde man zal maturiteit in het kippenhok brengen.” Ik was aangenomen.


De cultuurshock was totaal. Hier werd gearbeid, zoveel was duidelijk. De opleiding was kort: “Draag een zwart hemd en een heupschort van de zaak. De rest wijst zichzelf uit.” De kennismaking met het keukenpersoneel verliep stroef: iemand die veel weg had van Skinny Pete uit Breaking Bad, de enige autochtone kok in dit Belgische eethuis, keek me schichtig aan. ‘Vers van De Sleutel gerehabiliteerd’, las ik in zijn nerveuze trekken. Hij wipte van het ene op het andere been en haalde voortdurend zijn neus en wenkbrauwen op. De gesubsidieerde werkkracht haal je er helaas altijd snel uit. Maar goed, hij leek me niet gevaarlijk. Ook dat steek je op in de psychiatrie: al valt er niets mee aan te vangen, je blijft het goede in de mens zien. Verder bestond de ploeg uit twee hippe kerels met (ik doe een gok) Afghaanse, Libanese of Pakistaanse roots. Ze schenen argwanend. De bediening bestond uit jonge kokette meisjes, mogelijk lag daarin de verklaring voor hun koele ontvangst. Kwam die oude bok hier de sfeer verzieken? 'Die houdt het hier nooit lang uit,' zag ik ze denken.


Daar stond ik dan. Wat heb je aan al die levenswijsheid in een omgeving die daar lak aan heeft? Het werd een les in nederigheid. Een tip voor wie naast zijn schoenen loopt: draai eens mee in de horeca. Daar vervalt elke rang of stand.

Aan de afwas trof ik Ixtab, een Maya-vrouwtje van anderhalve meter hoog. Om onduidelijke reden scheen ze onder de indruk van mijn verschijning. Misschien deed ik haar denken aan de Ah-Muzen-Cab, de Mayagod van de bijen. Dankzij Ixtab zou ik het zes weken uitzingen (haar naam betekende godin van de zelfmoord, daar kwam ik pas veel later achter, mijn mislukking stond op voorhand vast) ...

Het kleine mollige meisje werd mijn mentor. Ze ergerde zich aan mijn gestuntel en liet niet na me op mijn fouten te wijzen, in een taaltje dat het midden hield tussen K'iche' en Engels, maar ruim voldoende duidelijk om haar te verstaan. Daar had ik begrip voor. Hier was de klant écht koning. 'Is het niet goed, dan gaan we wel op een ander'. Heel anders dan die zielige psychiatrische patiënt die geen keuze heeft. Het zette me opnieuw met de voeten op de grond.


Wist Ixtab wel met wie ze te doen had? Voor haar stond een man met twee volwassen dochters en een carrière in de zware psychiatrie! Een man die ooit een leidinggevende functie bekleedde! Kortom een man met ervaring! – Ze gaf er niet om. Dat bleek uit de manier waarop ze brutaal bijstuurde. Sommige mensen halen infantiliseren en instrueren door elkaar. Daarmee was de link met de psychiatrie gelegd. Je bereikt niets door je kwaad te maken. “Geef mensen een pluim en ze krijgen vleugels.” Ik denk niet dat ze ooit van Phil Bosmans had gehoord.


Van die gezellige babbel met de klant kwam nooit wat. Behalve met die ene vaste.

“Hoor eens bij de chef of hij een volgende keer mijn stoofkarbonade kan bereiden met Westvleteren in de plaats van steeds dat plakkerige bruin bier?”

“Ik vraag het voor u na.”

De Afghaanse/Libanese/Pakistaanse kok negeerde mijn vraag en knipte een zak vacuümgetrokken stoofvlees open.

“Dat behoort helaas niet tot de mogelijkheden,” liet ik weten. “Kan ik nog wat voor u betekenen?”

“De rekening dan maar.”

“Zesentwintig euro,” zei ik.

“Dat is niet weinig.”

“Stoofvlees-uit-zak wordt hier duur betaald. Bij Van Zon haalt u het voor een vierde van de prijs. Maar dan heeft u er mijn uitstekende service en het praatje niet bij. En laat u de fooi maar. Dienst en btw inbegrepen.”


Ik hield de eer aan mezelf. Nam ontslag. Ik maakte me er met een flauw excuus vanaf. Iets over advies van mijn huisarts, hartritmestoornissen, de onmogelijke combinatie met mijn andere job.


Ondertussen keert het Maya-vrouwtje nog elke avond huiswaarts om er na haar shift, bij een zak chips en een fles cola een aflevering Sturm der Liebe te kijken. Morgen is ze weer present in de brasserie, net zoals de vaste klant. Voor mij rest enkel de psychiatrie.


Vind je deze blog leuk? Geef hem onderaan een hartje!


Deze blog delen op Facebook of Twitter? Klik op de knop linksonder en klaar. Een commentaar op de sociale media toevoegen is ook altijd fijn.

2021, 13 augustus, Leuven (Martelarenplein) (België). Foto: Bart Cloots.


66 weergaven

Gerelateerde posts

Alles weergeven