De toffe mens achter de triestige burger
- Joost Elli

- 46 minuten geleden
- 3 minuten om te lezen
Hoe vaak denk ik terug aan wijlen mijn vriend Polle. Door een ongelukkige speling van het lot werd hij een pendelaar. Métro-boulot-dodo. Hij haatte het. “Die overvolle kuttreinen,” zei hij, “en al die onnozele mensen.” Die woorden vergat ik nooit. Denotatief woordgebruik, Polle had dat heel erg in zich: taal zonder alibi.
Nu was hij zelf ook niet bepaald een vrolijke frans. Hij werd een deel van de massa en dat wist hij. Het maakte van hem een sombere verschijning. Ik denk dat hij in tien jaar tijd één jas kocht: een zwarte, die wat was gaan blinken. Hij stapte altijd snel, met zijn hoofd naar beneden, alsof hij ergens moest zijn. Tegen heug en meug werd hij zelf een onnozele mens, een vitter. “Ik ben verzuurd,” was zijn laconieke uitleg. Zelfspot was zijn handelsmerk. Dat maakte van hem een groot mens. Alleen kregen weinigen die kant van hem te zien.
Voor de meeste mensen was hij ongetwijfeld een mistroostige figuur. Mocht iemand hem al zijn opgevallen. Polle slaagde er nooit in een eerste goede indruk te maken. Sterker nog: op de een of andere manier maakte hij zelfs géén indruk. Dat laatste zag hij als een voordeel. Want van mening veranderen, dat doen mensen niet gauw. Daar betrap ik mezelf ook op.
Ik heb een waaier aan vooroordelen. En Polle indachtig vraag ik mij de laatste tijd vaak af hoe mensen werkelijk zijn, thuis. Eerste bedenking: het is onmogelijk dat ze allemaal zo saai zijn als ze eruitzien. Per slot van rekening worden er nog altijd kinderen gemaakt. Tweede bedenking: ik zie op straat alléén maar idioten. Dat is even onmogelijk. Het moet het Baader-Meinhof-fenomeen zijn, frequentie-illusie: je koopt een rode wagen en plots zie je overàl rode wagens, dat effect. Die hypothese is belangrijk, want als ik niet oplet word ik zelf de nieuwe Polle. Ik moet dus op zoek naar bewijzen voor het bestaan van een toffe mens achter façades van tristesse.
Tegenvoorbeelden van de triestige burger zijn er genoeg: mensen die altijd opgewekt zijn, maar met wie thuis niet te leven valt. Hufters. Ik weet dat uit goede bron: ik was er namelijk ooit zelf zo een. Maar God, mijn medemens maakt het me niet gemakkelijk om milder te worden. Het miezerige weer haalt het lelijkste in de mens naar boven: de hoogdagen van de flashy anorak en de fleece. De gorpcore probeert er gelukkig nog iets van te maken, maar het blijft een verschrikking.
Ik begrijp de drijfveren, maar de visuele vervuiling is haast totaal. Nog maar een jaar geleden kocht ik voor het eerst een regenbroek. “Joost,” zei ik, “laat dat puberale nu eens achter je en koop ze gewoon.” Ik had het jarenlang verzuimd, puur omwille van de lelijkheid. Ik heb ze intussen twee keer gedragen.
“Ik zie er vast niet uit,” zei ik tegen de VAUDE-verkoper. Want zo ben ik dan: als ik iets koop, koop ik iets goeds. Ook al is het voorspelbaar dat ik het niet ga dragen. Er hangen zo wel wat dingen in mijn kast: het BOSS-colbert, de Ralph Lauren-polo, de jeans van Abercrombie & Fitch. Mij is niet aan te zien dat ik in wezen een snob ben.
“Je koopt zo’n broek niet om mooi te zijn,” antwoordde de man diplomatisch. “Het is een regenbroek.”
Alles begint natuurlijk bij benaderbaarheid. Lang geleden, zo’n tweehonderd blogs terug, had ik het al over het belang van elkaar groeten. Die eenmansactie loopt nog steeds. Op mijn dagelijkse wandeling is het hard labeur. Ik begrijp nog altijd niet waarom mensen die elkaar rakelings kruisen elkaar geen knik gunnen. Maar ik weiger op te geven.
Hoe langer hoe meer herken ik patronen. Je zou denken dat alleen grapjurken een grasgroene donsjas of een lila broek dragen. Dat valt flink tegen. Hoe fleuriger gekleed, hoe harder er gewerkt moet worden om er een eenvoudige blik uit geperst te krijgen. Gefumeerde brillenglazen verhinderen het oogcontact, wellicht moedwillig. Oortjes helpen ook niet. En dan zijn er nog de kappen. Voor mij bleven die lang een alarmsignaal. Beroepsmisvorming, vermoed ik. In de psychiatrie was een kap zelden zomaar een kap. Dat beeld zit vast. Maar voor de rest heb ik geen vooroordelen.
Polle had die ook. Maar als je zijn naam riep, keek hij op. Geïnteresseerd. Hij bleef staan en gaf een stevige handdruk. Ne pol.
Vindt u deze blog wel wat hebben? Geef hem onderaan een hartje!
Delen op Facebook of X kan ook: klik op de knop linksonder en klaar.
Wilt u graag reageren? Dat kan beneden op deze pagina (opgelet: uw reactie is zichtbaar).

2026, 1 februari, Herent (Mechelsesteenweg) (België). Foto: Bart Cloots.




Opmerkingen