• Joost Elli

Langharig tuig

Kessel-Lo, 25 februari 2022



Beste Koen


Het was even schrikken, bij die foto van je laatste brief. Pas na goed kijken zag ik dat jij het was. Die look - het te wijde witte hemd, de zwarte jeans en vooral dat lange haar, in 1993 - scheen ik te hebben verdrongen. Door vooringenomenheid wellicht.


Mijn vader - God hebbe zijn ziel - verachtte langharigen. Hij noemde ze vuile Beatles. Onze all-time favoriete groep, Koen, bezigde hij als scheldwoord. Toen ik klein was hing in de buurt vaak zo’n kluitje tuig rond. “Daar heb je ze,” snoof hij dan, “de bietekwieten: eerst hun haar laten groeien en dan zeggen dat ze kunstenaar te zijn.” Zo kreeg ik dat hardnekkige vooroordeel mee. Ik leerde mensen met lang haar te negeren. Quantité négligeable .


Lange tijd wist ik daardoor van slechts van één mens zijn lange haar te accepteren. Dat was Karl. Ik ontmoette hem op de eerste dag dat ik verpleegkunde ging studeren. “Neem maar ergens plaats,” zei de docent. Vastbesloten zette ik mij naast Karl. “Deze gast ga ik leren kennen,” wist ik. Waar je in een nieuwe groep, waarmee je verder moet, gaat zitten kan bepalend zijn voor je verdere leven.

Karl trok mij aan, een soort van coup de foudre, misschien een late vorm van puberhomofilie, ik werd 18, of een uitloper van puberrebellie. Hij leek op Jim Morrison en liep er sjofel bij: ongewassen, vuile kledij, de uitgerafelde mouw van de gebreide rolkraagtrui, dat soort dingen en hij geurde - niet stonk - naar Gauloise-tabak. Het laatste dus wat je associeert met een verpleger: die is doorgaans verwijfd of keurig bebaard, en netjes.


Hij leefde onder de elektriciteitswinkel van zijn ouders, middenin de stad. Het gezin woonde vijf hoog boven de zaak, in een poepchic appartement. Karl paste niet in dat plaatje en verkaste daarom naar de kelder, een borstelhok waar hij zichzelf kon zijn. Er was nauwelijks daglicht en het was er een stal: een ratjetoe van oude meubels met vlekken en voor de rest heel veel platen. En, dat zal je altijd zien bij dit soort loners: een paar goede luidsprekers. In zijn wc was er geen doorkomen aan, want op een dag besloot hij al zijn wc-rolletjes bij te houden: “Ik wil weleens weten hoeveel ik in al die tijd bij elkaar schijt,” had hij me toevertrouwd.


In de opleiding ging het voortuderend over handhygiëne, dagelijks toilet en haarzorg, allemaal termen waarvan Karl nooit eerder hoorde. Zijn voornemen was dan ook zich vooral met het psychische aspect van de patiënt bezig te houden. Dat maakte het voor hem niet gemakkelijk.

In zijn laatste jaar gaf hij er de brui aan. Hij verdroeg het steeds minder dat hij op zijn uiterlijk werd aangesproken. Verpleegsters en hippies laten zich moeilijk verzoenen: het ging over zijn haar, zijn nagels, zijn schoenen … Karl vond het allemaal maar moeilijkdoenerij. “Het gaat toch om wie ik ben, niet om hoe ik ruik,” vond hij. Hij wàs in feite Jim Morrison: die stond ook om de haverklap in de beklaagdenbank zonder te weten waarom.


Toen hij met patiënten in kleermakerszit op de gang ging zitten praten werd het helemaal lastig. Op een moment geldt de hygiënewetgeving en daar hoort op de grond zitten niet bij. Plots liep hij ook blootsvoets rond. Daarmee was de maat vol: het water tussen de zorg en Karl werd te diep. Nochtans, beeld ik mij in, maakte hij tijdens zijn korte passage voor een aantal mensen een verschil. Karl was meesterlijk in stervensbegeleiding. Maar procedureneukers zijn meedogenloos. Hij hield de eer aan zichzelf.

Ik verloor hem daarna een uit het oog. Ik heb mij laten vertellen dat hij het klooster inging en een vaste waarde bij Radio Maria werd. Het systeem had hem gefnuikt. Via via vernam ik dat hij het goed stelt.


Weet je wat bijzonder is aan dit verhaal, Koen? Dat Karl mij mocht. Ik droeg in die jaren bruine mocassins met witte sokken, lila kabeltruien van Cacharel en 501. Ik liep erbij als een nep-adept uit de Jambers-reportage over snobs uit die jaren. Daar keek Karl doorheen. Toen ontmoette ik ook Evrard, een rocker, een zwaargewicht in het uitgaansleven. We omarmden elkaar, hij in leren vest, ik in gele Daniel Hechter-anorak, en we lieten elkaar nooit meer los. Toen leerde ik wat authenticiteit was, hoe waardevol mensen zijn die zichzelf trouw blijven, en die gewoon hun eigen weg gaan. Het maakt ze onbevangen. Toen besefte ik dat ik de massa moest negeren en op intuïtie mensen aardig moest vinden. Het is niet eenvoudig tegen de geest van je opvoeding in te gaan.


Niettemin, Koen, ben ik blij dat vandaag je haar weer kort is. Op zekere leeftijd wordt het potsierlijk. Kijk naar Hendrik Vos, Ignaas Devisch, Jean Paul Van Bendegem en Lieven Annemans. Of de mannen van Bazart.


Let op met de waarden die je aan je kinderen meegeeft. Ze hebben er misschien hun hele leven last van. Ze zijn bijzonder hardnekkig.


Zoals steeds, genegen,


Je kozijn.

Joost



Vind je deze blog leuk? Geef hem onderaan een hartje! Delen op Facebook of Twitter kan ook: klik op de knop linksonder en klaar.

2022, 24 februari, Leuven (Comeniusgebouw) (België). Foto: Pieter-Jan Martens (www.musicalcompagniemithe.com).


De reportage De Millet-generatie (Paul Jambers, Panorama, VRT 1986) bekijk je hier.


Meer van Koen op koenvandenborre.be en op zijn nieuwe Instagram-pagina (@koenvdborre).




28 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven