HET EI

Kortverhaal van Koen Vandenborre.

Winnaar van de Hendrik Prijs-prijs literaire prijzen Stad Sint-Truiden 2020.

Instagram: @haikuoen

literaireprijzen.be

Het ei.jpg

Je loopt een winkel binnen om een vaas te kopen en je wandelt buiten met een ei. Zulke dingen gebeuren. Het heeft vaak niets te maken met de rechtlijnigheid of met de wispelturigheid van je karakter, veeleer gaat het om het onvoorspelbare van onbeduidende gebeurtenissen. Je kan daar vragen bij stellen, maar heeft dat zin? Door toeval toe te laten, wordt het leven net dat tikkeltje interessanter. 

Dát ondervindt ook Dario Woland op een donderdag in december. 

 

Een rommelige etalage trekt met vertraging zijn aandacht. Met zijn kraag hoog opgezet en de handen diep in de zakken, keert hij terug op zijn stappen. Op het bord boven de ingang staat in sierlijke letters: D.Bulgakov ~ Curiositeitenkabinet & Antiek. 

Zijn blik valt op een rood vaasje. Een geglazuurde traan, een vuist hoog – onopvallend voor het ongeoefende oog – een pareltje van Deense keramiekkunst. Tegen een achtergrond van gedrapeerd fluweel staat het miniatuur half verdoken tussen een industriële lamp en een bronzen neushoorn, alsof het zich schaamt voor zijn blozende kleur. 

 

Dario kijkt op zijn horloge. De middag is nog niet geheel vergleden. Hij twijfelt. Pas binnen een uur gaat het restaurant open. Dat geeft hem wat respijt. Niet dat hij er naar uitkijkt, zijn vrees dat Rita de verloving wil verbreken zou wel eens gegrond kunnen zijn. Het loopt al een tijdje stroef en hij wordt voortdurend verkeerd begrepen, althans zo voelt het toch. 

 

De dikke zwarte kater in de vitrine kijkt op en rolt onverschillig op zijn zijde, de staart heen en weer wuivend als een vraagteken, alsof hij zeggen wil, zoek het zelf maar uit. Dario duwt de winkeldeur open. De bel boven zijn hoofd klingelt. Hij wacht enkele tellen in het deurgat om zijn ogen te laten wennen aan het zachte licht en stapt naar binnen. Er zijn geen andere bezoekers in de shop. Hij sluit de deur en de bel klingelt opnieuw. 

 

Een heer in een onberispelijk pak komt uit de achterkamer. Hij eet snel zijn mond leeg, dept zijn mondhoeken met een linnen servet en stapt op Dario af. 

‘Mijn welgemeende excuses voor het wachten. Op dit uur zie ik zelden klanten. Een ogenblikje alstublieft.’ Hij loopt naar de deur en draait het open/gesloten bordje om. ‘Zo, dan worden we niet gestoord. Zegt u het maar, wat kan Daniil Bulgakov voor u betekenen?’ 

 

‘Dat rode vaasje.’ Dario wijst naar de etalage. ‘Als het is wat ik denk dat het is.’  

‘Dat vaasje. Ja. Een bijzonder stuk. Meneer is een kenner.’

‘Een liefhebber. Hoeveel vraagt u ervoor?’ 

‘Het spijt me. Dat is niet te koop.’ 

Dario kijkt verrast. ‘Ach zo. Ik ben nochtans bereid een correcte prijs te betalen.’ 

‘Ik twijfel niet aan de intenties van mijnheer, maar ziet u, prijs is niet de reden waarom ik geen afstand kan doen van dit kleinood. Het heeft te maken met atmosferisch perspectief.’

Dario fronst de wenkbrauwen. ‘Ik vrees dat ik u niet kan volgen.’ 

‘Dat begrijp ik. Staat u mij toe. Atmosferisch perspectief is een techniek waarmee schilders en fotografen door het gebruik van kleur en vervaging diepte brengen in hun werk. Ik pas dit principe toe op mijn etalage.’ 

Dario schudt onbewust het hoofd.  

 

‘Ik verklaar mij nader.’ De man in het onberispelijke pak wijst naar een schilderij boven een verzameling Javaanse schaduwpoppen. ‘Kijk, een typisch laat zeventiende-eeuwse marine van een onbekende Vlaamse meester. Wat valt u op?’ 

 

Dario stapt tot bij het schilderij, haalt een leesbril uit zijn binnenzak en kijkt aandachtig naar het kunstwerkje. ‘Wat zie ik? Ik zie een zeezicht. Ik zie vanuit de verte loodgrijze, zware wolken aanrollen, een gedempt zonlicht dat zich doorheen de laatste kieren probeert te wrikken, vooraan zet een vissersboot alle zeilen bij om het onweer voor te blijven.’ Dario kijkt naar de man in het onberispelijke pak. ‘Mis ik nog iets?’ 

‘Kan u mij iets meer vertellen over de boot.’ 

 

Dario drukt zijn neus tot bijna tegen het doek. ‘Mijn kennis over boten is eerder beperkt. Deze is rood, en heeft een zeil. Daar zal u het mee moeten doen, vrees ik.’

Bulgakov knikt. ‘Zo rood als het vaasje in de etalage.’ Zegt hij met een besmuikte glimlach en een opgestoken wijsvinger. ‘U bent nog niet overtuigd. Een ogenblik.’ Bulgakov loop naar een uitpuilende vitrinekast en haalt een schoendoos tevoorschijn. ‘Bekijkt u deze eens.’

Dario neemt een stapeltje ansichtkaarten uit de doos. Vakantiekaarten. Landschappen. Stadsgezichten. Monumenten. … En op elke ansichtkaart, ergens op de weg, op een parking, op een brug, voor een huis, … een rood autootje. 

 

‘Begrijpt u het nu? Ander beeld, zelfde techniek.’ 

‘Rode vissersboot, rood autootje, … rode vaas,’ zegt Dario.  

‘Zo is het. Het brengt diepte en structuur.’ 

‘En dat is belangrijk?’ 

‘Een etalage is voor een winkel wat een neus is voor een aangezicht. Dat u mijn winkel bezoekt, geeft aan dat het werkt.’ 

 

Dario neemt zijn hoed af en krabt zich achter het oor. ‘Ik weet niet of ik het eens kan zijn met uw conclusie. Het was mij wel degelijk om het rode vaasje te doen en niet zozeer om de bekoring van uw etalage.’ 

‘Het rode vaasje ís mijn etalage.’ 

‘En een ander rood voorwerp heeft niet hetzelfde effect?’ 

‘Zo is het,’ antwoordt Bulgakov, zonder een zweem van ironie in zijn stem. 

 

De dikke zwarte kater krult zich een weg tussen de enkels van Dario en loopt parmantig tegen een boekenkast omhoog om zich op het bovenste schap neer te vlijen. Met de pretoogjes van een vadsige kat kijkt hij Dario aan. 

‘Behemoth voelt feilloos aan wie hij kan vertrouwen,’ zegt Bulgakov. ‘Vroeger hadden ook wij mensen dat instinct, maar dat zijn we doorheen de jaren kwijt gespeeld.’

‘Ik begrijp het,’ zegt Dario niet begrijpend. ‘Maar wat het vaasje betreft, ik verzeker u dat uw prijs de mijne is.’ 

‘Miauw.’ Klinkt het vanop de boekenkast. ‘Aandringen heeft geen zin. Als vadertje iets niet wenst te verkopen, wordt het ook niet verkocht?’ 

 

Dario keert zich naar de boekenkast. Hij kijkt verbijsterd naar de dikke zwarte kater die zelfverzekerd terugstaart. De bek gaat open en een frisroze tong komt tevoorschijn. Met enkele stevige kopjes wast Behemoth zijn donzige voorpoten. In het deurgat naast de boekenkast verschijnt een tengere jongen van een jaar of veertien. 

‘En het maakt niet uit hoeveel u biedt, vadertje verkoopt alleen als hij dat zelf wil. En dat vaasje staat hier al zolang ik het mij kan herinneren,’ zegt de jongen. 

‘Ach zo,’ zegt Dario, eerder opgelucht door de boodschapper dan door de boodschap. 

 

Bulgakov komt tussen Dario en de jongen staan en maakt een veegbeweging met de hand. ‘Mijn kleinzoon weet wel beter dan klanten lastig te vallen met nonsens. Kijkt u rustig rond. Er zal ongetwijfeld wel iets tussen zitten waarmee u als een tevreden klant mijn winkel kan verlaten.’ 

Dario knikt en begint ongemakkelijk aan een wandeling tussen de uitpuilende rekken, meubelen en curiosa. Hij wijst naar een elegant mahoniehouten kastje. 

Bulgakov maakt een grimas en schudt het hoofd. 

 

‘Aan het kastje zelf twijfel ik niet, maar de pootjes zijn waarschijnlijk van een latere datum. Zolang ik dat niet heb uitgeklaard, kan ik het met de beste wil niet verkopen. Mijn integriteit als antiquair staat op het spel.’ Hij richt zich tot de tengere jongen. ‘Doe me er aan denken dit straks naar de werkplaats te brengen.’ 

Ook andere pogingen een voorwerp van eigenaar te doen wisselen, stranden op bezwaren en excuses. Elk voorwerp in de winkel lijkt wel besmet door een toevallige samenloop waardoor het – al dan niet tijdelijk – onverkoopbaar is. 

Dario kijkt naar de stationsklok boven de dubbele deur. Misschien moet hij maar naar het restaurant vertrekken. Beter met lege handen maar op tijd. Een merkwaardig verhaal heeft hij al op zak. 

 

‘Ik lees teleurstelling en ongeduld in uw ogen en dat grieft mij oprecht,’ zegt Bulgakov. Hij komt naast Dario staan, en alsof hij iets illegaal en geestverruimend in de aanbieding heeft, zegt hij met zachte stem: ‘U bent opzoek naar iets om te koesteren, en misschien ligt dat voor u in het immateriële. Kan ik u wat poëzie verkopen?’ 

‘Poëzie,’ herhaalt Dario, niet goed wetend of Bulgakov een grapje maakt. 

‘Een paar verzen, of een kort gedicht, kan al voldoende zijn. Een ogenblikje, ik ben zo terug.’ 

 

Bulgakov loopt naar de achterkamer en aait en passant liefhebbend de bol van zijn kleinzoon. Ze verdwijnen samen in de achterkamer. Dario hoort het geritsel van papieren en het open en dicht schuiven van lades. 

‘Is het dit?’ Hoort hij een kinderstem vragen. 

‘Dat zijn ze! Prima gedaan jongen.’ 

Bulgakov komt opnieuw de winkelruimte binnen. Hij draagt een dikke gemarmerde map in zijn armen als was het een overreden hond. Hij neemt plaats aan een tafeltje met gekrulde poten, knoopt de lange bindlinten los en opent voorzichtig de map. 

‘Moet u luisteren, hier zit zeker iets bij dat u zal bevallen.’ Bulgakov laat enkele losse bladzijden door zijn handen schuiven. ‘Deze bijvoorbeeld: 

 

“Waarom zou ik de leegte verkiezen nu het leven door mij stroomt.

Na mijn dood rest mij nog een eeuwigheid om ze te omarmen.”

 

Wat denkt u? … Geen liefhebber van het Gilgamesh-epos. Mmh, misschien ook wel wat neerslachtig. U heeft gelijk. We zoeken verder.’ 

Minutieus doorbladert hij de map. 

‘Deze dan, iets dichter bij huis, een tijdgenoot van Dante: 

 

“Devoot gevouwen in verstilde rust, 

brul je als een leeuw met de kracht van een zucht.”

 

‘Heel mooi, toch?’ Bulgakov kijkt verwachtingsvol naar Dario. … ‘Of misschien bent u wel een liefhebber van haiku. Wat vindt u hier van: 

 

“Schenk mij je lach, die

geeft zonder iets te vragen. –

Ik geef je alles.”

 

Van een leerling van de grote Bashō. … Neen? Geen nood we zoeken verder.

 

Hij kijk Dario aan, legt vervolgens een hand op de rug van Behemoth die snorrend op de tafel is komen liggen en knikt. ‘Ik denk dat ik het weet. U zoekt iets dat uitdrukt hoe u zich voelt wanneer de liefde uit uw lichaam wordt gesneden als een stuk filet pur uit een karkas.’ 

Dario, kijkt verrast op. ‘Ja,’ zegt hij, zelf verwonderd over zijn vastberaden toon.  

‘Dan weet ik precies wat u nodig heeft.’ Hij sluit de map en diept een beduimeld schriftje op uit zijn binnenzak. Na wat zoeken schraapt hij zijn stem: 

 

‘“Sinds jij weg bent,

heeft de dag geen begin. 

Sinds jij weg bent, 

pas ik niet meer in mezelf.”

 

Wat denkt u? Is dat wat u zoekt?’ 

‘Vreemd genoeg wel,’ lacht Dario. ‘Hoeveel vraagt u ervoor?’  

‘Normaal 26,50 maar omwille van het gedoe met het vaasje laat ik het u voor 15. Is dat aanvaardbaar voor u?’ 

‘Verkocht.’ 

‘Fantastisch. Een verstandige keuze.’ Bulgakov scheurt het gedicht voorzichtig uit het schriftje. Hij staat op en wandelt tevreden naar de toonbank. Naast de kassa hangen rolletjes met kleurrijke linten. Van het blauwe lint knipt hij een eindje af en wikkelt het om het opgerolde papiertje. Hij trekt een lade open en haalt er een gouden ei met azuurblauwe meridianen uit, dat op zijn evenaar openklapt. Hij plaats het rolletje in het ei en overhandigd het aan Dario. ‘Een echte Fabergé kan ik u jammer genoeg niet verkopen, maar ik schenk u deze reproductie graag als attentie. Ik wens u het allerbeste toe met uw toekomstige dichtpartner.’ 

Dario groet Daniil Bulgakov en wandelt onder schel geklingel de winkel uit met een ei in zijn broekzak, naar de jongedame die hopelijk op hem wacht. Als hij zich haast, zal hij op tijd zijn, en niet met lege handen.