• Joost Elli

The Life Artois

Ik ben wat Vlaamsgezind. Hier, in mijn coconnetje, durf ik het zeggen. Ik plaats er wel bewust de ‘wat’ tussenin. Dat geeft me de ruimte me eruit te lullen wanneer het te vervelend wordt.


Buiten zetten grote mensen mij daarom meteen weg als N-VA’er (een scheldnaam) of Vlaams Belanger. Ik ken niemand die N-VA stemt, nochtans de grootste partij van Vlaanderen. Het schijnt iets te zijn waarmee je niet uitpakt. Uit vrees op je donder te krijgen. Ik ken wel volop mensen die Vooruit en Groen stemmen.

Volkseigenheid voelen lijkt verderfelijk. Dat is vreemd. Overal doet men het. Het heet folklore en we reizen ernaartoe. De ruimdenkende rugzaktoerist op kop.


Waar het midden niet wordt gevonden woedt oorlog. Een beetje volksliefde afdoen als nationalisme is flauw. Dat het meteen solidariteit met andere volkeren uitsluit ook.


Frappant dat die afwijzing vaak uit culturele hoek komt. Daar nochtans begon de Vlaamse Beweging, met Conscience en consoorten, met het cultuurflamingantisme. De schrijvers en de werken die later bekend zijn gebleven, waren bijna allemaal betrokken bij ‘de Vlaamse zaak’. Het was hen om het overleven van het Nederlands in België te doen. Daar moeten we weer naartoe. Pas vanaf de Eerste Wereldoorlog maakte de Beweging die verwenste ruk naar rechts. En kwam er nooit meer van los.

Wie zich het lot van de Aboriginals of de Kayapo aantrekt, of kolonisatie in het algemeen verwerpelijk vindt (en dat doen we hopelijk allemaal) moet zich toch ook kunnen vinden in het voortbestaan van de Vlaamse cultuur?


België prijkt op de vijfentwintigste plaats in de lijst van welvaartsstaten. Er zijn net geen tweehonderd landen. Zeggen dat België niet werkt (vaak aangehaald in deze coronacrisis of na de overstromingen) houdt dus geen steek. Laten we dat nog maar eens goed beseffen. Maar waar taal onbekommerdheid in de weg staat ontstaat verdeeldheid. Met soms doden als gevolg. Zo ontstond de Taalstrijd. Met die bittere nasmaak.


Het wordt steeds lastiger nièt van een of andere vorm van discriminatie te worden beschuldigd, alleen wanneer het over taal gaat, doet het er ogenschijnlijk minder toe. Meertaligheid kan door een werkgever ongestraft worden gevraagd. In België is taaldiscriminatie strafbaar, maar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden kent de maatregel niet. De strafbaarheid is dus een lege doos.


Natuurlijk is die eis soms volkomen terecht. Het slaat nergens op een eentalig Nederlands medewerker aan de toeristenbalie te zetten. Dat is de wereld op zijn kop. Maar in die meertaligheid moet wèl het Nederlands zitten. Onlangs, in een Haags hotelletje, sprak de receptioniste uitsluitend Engels. Was dat vervelend? Ja. Daar niet moeilijk over doen is het tegenovergestelde van inclusie. Nu jij weer, verbinder.


Ik ‘beredder’ me in het Engels. Dat zeg ik met enige schroom. Want de perceptie is dat we het zonder het Engels niet langer redden. Dat is slechts een veronderstelling. Het resultaat is vaak Globish (Global English), een koetertaal die het gevoel geeft met elkaar te praten maar elke vorm van diepgaand gesprek onmogelijk maakt. Een soort van ingebeelde samenhorigheid.


Het is logisch dat aan de universiteit nu en dan in het Engels wordt gedoceerd. Dààr verenigt eentaaligheid. Het kon net zo goed Esperanto zijn. Maar, let op: Nederland kent inmiddels meer dan driehonderdveertig bachelors (Engels!) alleen al. Als het zo doorgaat zou men er een bedreiging voor de Nederlandse taal kunnen in zien.


Hoe dan ook, Engels als voertaal in de straat wekt het wrevel op. Of erger: verdeeldheid.

Op Leuven Kermis werd mij in het worstenkraam gevraagd of ik er oignon (in het Engels) bij wilde. Wat doet daar een man die het woord ajuin niet kent? Een avond op de Oude Markt werd door de ober met ‘good evening’ ingezet. In het buitenland laat je de fooi achterwege. Dat kan hier niet eens. Nooit gedacht dat ik in mijn eigen bierstad two beers zou bestellen.


Nieuw is die verengelsing niet. Na de Tweede Wereldoorlog werd Amerika een voorbeeld voor de rest. In mijn jeugd al hoorde ik mijn tantes het onder elkaar hebben over de boetiek Grienwish (Greenwich) en kochten ze postuurtjes bij de vast gezellige Mie Hobbie (My Hobby). (Ter info: Mie Katoen bestond wèl.) Ze waren ook dol op De familie Ties op tv (Family Ties).


Hier leven mensen die geen Engels leerden of het simpelweg niet spreken (ouderen, mensen die het lastig hebben of hadden met studeren). En daar geen enkele behoefte aan hebben. Waarom zouden ze ook? Naargelang de bron praat veertig tot dik vijftig procent van de Vlamingen Engels. Bijna een op twee dus niet.


Janhagel als Dries Van Langenhove en Filip Dewinter helpen de zaak niet vooruit, wel integendeel. Toch durf ik uit die hoek te citeren: “Er is een Belgische bevolking. Maar er is geen Belgisch volk,” poneerde ooit het collaborerende Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV). Geen weldenkend mens wil met dat soort extremisme in verband gebracht worden. Wel goed, kijk dan alleen maar naar die uitspraak: wat men ons ook wil doen geloven (zie ook het geflopte “1 ploeg van 11 miljoen”), er zou nog wel eens een kern van waarheid in kunnen zitten. Zelfs de orangist Louis Tobback heeft het over 1830 als een historische vergissing.


De in 2019 overleden filosoof Etienne Vermeersch bleek - tot ontsteltenis van sommige van zijn volgers - Vlaamsgezind. Hij had het over rechtvaardigheid: het recht het Nederlands, waar de officiële taal het Nederlands is, te mogen spreken. En wanneer dat landsdeel tweetalig is, Brussel, evenzeer. Vermeersch moest zich af en toe flink verdedigen: “Ik ben tegen onrechtvaardigheid. En ik kom op, op welk gebied dan ook, voor rechtvaardigheid.” Monden gesnoerd.

Hij haalde een loodgieter aan, die door het ontstaan van de faciliteitengemeenten, plots gedwongen werd Frans te gaan leren. Zijn Nederlandse eentaligheid kostte hem klanten. In Vlaanderen. Hij vertelt hoe het van hem - zeer consequent - uren werktijd vroeg al zijn teksten voor Brusselse commissies in het Frans te vertalen. Omdat de Franstaligen het “voor hun kop weigerden een gebenedijd woord Nederlands te leren.” Omgekeerd gebeurde dat niet. Of: hoe de verfransing geld kost en zelfs tot loonverlies leidt.


Wie er niet mee te maken heeft haalt de schouders op. Maar nogal wat mensen hebben er wèl mee te maken. Om er een bewaarheid cliché aan toe te voegen: mijn dochter bood zich met spoed aan in een Elsenes ziekenhuis, vlakbij Matonge (“Klein Zaïre”). Er was niemand die er Nederlands sprak. Op die manier een klinische anamnese worden afgenomen is een welvaartsstaat als België onwaardig. Weerleg gerust mijn woorden.


Vlaamse jongeren zijn helaas niet meer met de taalkwestie bezig. Dat heeft deels te maken met die jammerlijke associatie met extreemrechts. Ze hebben de acute onderdrukkingspogingen nooit echt meegemaakt. “Als het net even anders was gegaan,” zingt Herman van Veen over de goede afloop van de Tweede Wereldoorlog. Dan las men deze blog in het Duits, bedoelt hij. Of in het Frans voeg ik eraan toe.


Na het verdwijnen van het oude ijssalon Au Bouquet Louvaniste in de jaren 90 kwamen er in Leuven nauwelijks nog Franstalige handelsnamen bij. De Koeienschieters kenden de gevoeligheden. Nu de geschiedenis vervaagt, steken ze weer de kop op. Coup de soup, Pain Louvain, Café Manger, Café Belge, Absolut Brasserie, Au Flan Breton, Clé de peau, , D’entreprise Loungebar (twee-in-een), Bar Tartine. Omdat het wellicht chique staat. Dat is wat de bourgeoisie ook doet. Les pauvres.


Het verengelsen zou dan weer met uitlanders kunnen te maken hebben (ik probeer ’expats’ te vermijden - valt het op?). Want sinds de ‘olievlek’ (een synoniem voor de verfransing rond Brussel) stagneert sijpelt de Europese Unie en haar functionarissen Groot-Leuven steeds dieper binnen.


Ook de overheid trekt meer en meer de Engelstalige kaart. Niet onbegrijpelijk in deze, wat moet je anders in een drietalig land. Het resultaat zijn draken van domeinnamen als myminfin.be (met Tax-on-web), myhealthviewer.be, mynexuzhealth.be, coronalert.be (oké, nog goed gevonden) en - de hoofdrijs: belgium.be. Afgezien van de .be is elk verband met België zoek.


Een eentalig Engelse menukaart is geen uitzondering. The hipper the more English. Maar dat ik onlangs een bejaarde dame in het Sportkot aan een zwemkaartje moest helpen omdat de automaat uitsluitend Engels spreekt vind ik toch wat verregaand. In Moskou zal het niet gebeuren.


Helemaal de kroon spant de nieuwe slogan van Stella Artois. Want kijk wat het geeft wanneer je Braziliaanse Janusfiguren als Carlos Brito en nu weer (sinds een jaar) Michel Doukeris met de minste bedrijfs-, of volksvoeling aan het roer zet van een in Leuven gepokt en gemazeld product: op een dag bottelen ze ‘hun’ bier in gifgroene flesjes. On-Belgischer (jawel) wordt het niet. Of toch: want meteen vervangen ze het opschrift Leuven door Belgium. Nu voert Doukeris het onverslijtbare Mijn thuis is waar mijn Stella staat af. En vervangt hij de slagzin door -ironie- een levenloos The Life Artois.

De Vlaamse Julie Dejonghe bedenkt dat merkwaardig genoeg voor hem. De merkmanager (zij heeft het natuurlijk liever over brandmanager) is piepjong, dat brengt al wat opheldering. Wie verzint het zo’n melkmuil een stuk erfgoed om te laten stijlen … “Nu we de wereld hebben veroverd, is het tijd om de focus te verleggen naar België,” zegt ze trots. “We willen zo een sterke relatie opbouwen tussen ons merk en de Belg.”

Belgians never drink Artois, honey. They drink Stella.


En nu is het afwachten wat mij wordt aangewreven. Ik doe een wilde gok: anti-intellectualisme.



Vind je deze post leuk? Geef hem een hartje!

Deze post delen op Facebook of Twitter? Kinderspel: klik op de knop linksonder en klaar. Een comment toevoegen is altijd leuk.

2021, 10 september, Wilsele (Marie Thumas Durieuxbrug, Kolonel Begaultlaan) (België). Foto: Bart Cloots.

65 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven

Plasbeton